De monniken G7 C G7 Daar woonden twee monniken, Hans en Joop, in een klooster op een heuvel. F C G7 C Ze sleten hun tijd en dat was een hoop met sigaren, wijn en gekeuvel. Ze kletsten over Jeruzalem en loofden de Heer met psalmen en zo kon je Hans' eerst' en Joops tweede stem in de omtrek horen galmen. Of ze gingen naar het dorp benee om daar de Heer te loven en dan stemden ze op de KVP en dan gingen ze weer naar boven. Er klopte daar een meisje aan, dat hebben ze opgenomen, want ze misten bij 't zingen een goeie sopraan daar ze zelf niet zo hoog konden komen. Zij waste hun kleren, het witgoed en bont, zij maakte hun nieuwe sandalen. In 't klooster ging de wijnfles rond en in 't dorp de roddelverhalen. Het meisje begreep het en is weggegaan na een afscheid met veel tranen. Joop gaf haar een hand, wat-ie nooit had gedaan en Hans voor de reis wat bananen. En 's avonds zongen ze in duet een lied dat sneed door je mergen. Het meisje hoorde dat nog net en antwoordde over de bergen. Maar toen kwam er een man uit het dorp op de fiets en sprak zo kunnen we 't niet laten, dat meisje moet terug anders hebben we iets om beneden over te praten. En nu zingen ze weer met z'n drieën in koor en wast ze weer hun kleren en ze krijgen er zelfs subsidie voor, want Gods kinderen zijn rare beren.
Ken je een betere of completere versie? Stuur 'm in